Dynamo:
Op deze pagina worden de volgende
onderdelen beschreven:
-Algemeen
-Werking
-Rotor
-Stator
-Voorbekrachtiging, Zelfbekrachtiging en Laadstroom
-Spanningsregelaar
-Dynamoaansluitingen
-Statorschakelingen
-Gelijkrichtdioden
-Rimpelspanning
-Vrijlooppoelie
-Ventilator
|
Het toerental van
de motor heeft invloed op de spanning van de dynamo. Hoe harder de motor
draait, des te harder de poelie draait waardoor er meer stroom opgewekt
kan worden. De spanning mag niet te hoog zijn, en wordt door de
spanningsregelaar begrenst. |
![]() |
In de dynamo wordt wisselspanning opgewekt. In heel het elektronische circuit van de auto wordt gelijkspanning toegepast. Ook de accu kan alleen maar worden opgeladen met gelijkspanning. De wisselspanning wordt m.b.v. de dioden in de diodenbrug omgezet in gelijkspanning.
De grootte van de spanning die wordt opgewekt is afhankelijk van:
-De snelheid waarmee de geleider en het magnetisch veld van elkaar bewegen.
-De lengte van de wikkelingen
-De sterkte van het magnetisch veld.

|
Bij autodynamo’s roteert het magnetisch veld (de rotor). Als de magneet draait, bewegen de noord- en zuidpool ten opzichte van de stator. In de stator wordt daardoor een wisselspanning opgewekt. Bij 1 omwenteling van de magneet heeft de spanning die in de geleider is opgewekt de vorm van een sinus. |
|
De rotor heeft poolklauwen
(pluspolen en minpolen). Achter de poolklauwen zitten velddioden. Het ontstaan van de noord-
en zuidpool is afhankelijk van de stroomrichting van de veldwikkeling. Als de
stroomrichting door de rotor omdraait, verwisselen de noordpool en zuidpool van
plaats. Doordat de poolklauw meerdere klauwen heeft, ontstaan er ook meerdere
magneten. Een noordpool en een zuidpool samen vormen één poolpaar. Meestal heeft
een rotor 6 poolparen.
|
![]() |
|
De dynamo die in vrijwel alle auto's worden toegepast is een drie-fasen wisselstroomdynamo. Dit houdt in dat de dynamo is opgebouwd uit 3 statorspoelen en een rotor. Elke statorspoel produceert zijn eigen opgewekte spanning. Omdat alle statorspoelen onder een hoek van 120 graden ten op zichte van elkaar zijn gemonteerd, zijn de opgewekte spanningen ook 120 graden in fase verschoven. Deze spanningen worden door de 3 min- en 3 plusdiodes (dus totaal 6 diodes) bij elkaar opgeteld gelijkgericht. |
![]() |
![]() |
Links staan een stator en een rotor los afgebeeld. In werkelijkheid draait de rotor rond in de stator, en raken ze elkaar nauwelijks. |
|
Voorbekrachtiging: De motor staat uitgeschakeld, en het controlelampje brandt. De voorbekrachtigingsstroom gaat via de accu, contactslot, rotor, regelaar naar de massa. Dit is mogelijk, omdat de in de spanningsregelaar de zenerdiode spert, en de basisstroom T1 in geleiding brengt. Zelfbekrachtiging: Wanneer de motor is gestart, is de rotor voldoende magnetisch gemaakt om over te gaan op zelfbekrachtiging. De zelfbekrachtigingsstroom gaat dan via de gelijkrichtdioden (minzijde) naar de statorspoel, vervolgens via de velddioden, naar de rotor en regelaar naar massa. Laadstroom: In de statorspoel wordt een wisselspanning opgewekt doordat de rotor er door heen draait. De groene lijn markeert de weg die de stroom loopt vanaf statorspoel V. De stroom wordt door een gelijkrichtdiode gelijkgericht (van wisselspanning naar gelijkspanning) en gaat via de aansluiting B+ naar de accu en verbruikers. |
![]() |
Spanningsregelaar:
| Wanneer de spanning boven de afgeregelde spanning
komt, gaat de zenerdiode (in bovenstaande schema) in geleiding waardoor
de basis van T1 door T2 aan massa wordt gelegd. T1 spert, het magnetisch
veld valt weg, waardoor de dynamospanning daalt. De rotorstroom valt hierdoor weg, waardoor de dynamo korte tijd niet bij laad. Door het continu in- en uitschakelen van T1 ontstaat een afregeling van de spanning. |
![]() |
Links zie je een losse rotor, met een losse
spanningsregelaar die er tegen aan wordt gehouden. De spanningsregelaar zit gemonteerd tussen D+ en DF aansluitingen van de dynamo, en sleept met zijn koolborstels over de rotor heen. |
Wanneer er een verbruiker ingeschakeld wordt (bijv.
verlichting) dan zal de laadstroom even zakken van 14,4 naar 13 volt. De
spanningsregelaar vangt dit op, en zal snel de spanning weer hoger afregelen
naar 14,4 volt.
Hier onder zijn 2 scoopbeelden te zien die op de DF-aansluiting van de dynamo
gemeten zijn. Deze signalen worden doorgegeven naar het motorregelapparaat. Voor
de duidelijkheid, de rotor is magnetisch aan de onderzijde van beide beelden.
| Het signaal rechts is gemeten terwijl er weinig
tot geen verbruikers aan stonden. De rotor is dus minimaal magnetisch. De duty-cycle bedraagd hier ongeveer 10%. |
![]() |
Het signaal rechts is gemeten terwijl er veel
verbruikers aan stonden. De wordt hier veel meer bekrachtigd om de 14,4 volt laadstroom te kunnen behalen. De duty-cycle bedraagd hier ongeveer 50%. |
![]() |
Dynamoaansluitingen:
B+ gaat naar de accu
D+ komt van de velddioden en gaat naar de controlelamp
W is een aansluiting die vroeger voor toerentellers van oude
dieselmotoren werd gebruikt. Tegenwoordig bestaat die niet meer.
DF gaat naar het motormanagementsysteem. Op deze aansluiting staat
het PWM signaal van de regelaar. De afbeeldingen hier boven zijn daar een
voorbeeld van.
Statorschakelingen:
Statorspoelen kunnen op verschillende
manieren geschakeld worden, namelijk:
-Eénfase schakeling
-Sterschakeling
-Driehoekschakeling
Gelijkrichtdioden:
De dynamo levert
wisselspanning, maar omdat in de auto alleen maar gelijkspanning gebruikt word,
moet de wisselspanning omgezet worden in gelijkspanning. Dat gebeurt door de
gelijkrichtdioden.
![]() |
Links is een gedemonteerde diodenbrug te zien. De
rode meetpen wijs 1 van de 3 mindioden aan. Aan de andere kant van de diodenbrug zitten de plusdioden. Het tapeind is de B+ aansluiting, waar de dikke kabel op gemonteerd zit die naar de accu toe gaat. |
| Werking: Dioden laten de stroom maar in 1 richting door. Het positieve deel van de wisselstroom wordt gebruikt, het negatieve deel gaat verloren. |
Dit is het principe van een éénfase dynamo. Je ziet in de afbeelding hierboven aan de rechter kant dat de fase steeds onderbroken wordt, er even geen spanning is, en er daarna weer opnieuw een fase is. In het stuk tussen de fasen word dus geen spanning opgewekt. Om dit te voorkomen, worden er bij driefasen-dynamo's sterschakelingen en driehoekschakelingen toegepast. Daarmee wordt dit resultaat verkregen:
|
|
Hier zijn 3 verschillende kleuren te zien; zwart, rood en blauw. Dit zijn allemaal afzonderlijke fasen. In de afbeelding hier boven en hier naast zie je dat er tussen bijv. de zwarte fasen veel ruimte zit. Door de andere fasen daar bij te verbinden, wordt deze ruimte overbrugt. Er ontstaat hierdoor een geleidelijke stroomtoevoer. |
De ster- en driehoekschakelingen zorgen
voor dit resultaat.
Rimpelspanning:
| Na het gelijkrichten van de spanning door de
gelijkrichtdioden blijft er altijd nog een kleine rimpel over. Het
signaal is nooit mooi vlak. De rimpelspanning mag nooit de 500mV overschrijden, omdat het dan storingen of defecten aan de auto elektronica kan veroorzaken. Hier naast is een scoopbeeld te zien die gemeten is op de accu. Bij het veranderen van het motortoerental, of bij het inschakelen van verbruikers zal dit beeld veranderen. |
![]() |
Vrijlooppoelie:
Tegenwoordig zitten er op dynamo's steeds vaker vrijlooppoelies. Deze poelies
kunnen 1 kant op draaien.
Wanneer de multiriem van de poelie afgehaald is, en je draait eraan, zul je
merken dat de dynamo inwendig maar bij 1 richting mee draait, en bij de andere
richting inwendig stil blijft staan.
Dit systeem is ter beveiliging van de multiriem. Wanneer de motor een hoog
toerental draait, en het gas word in één keer los gelaten, zal het
motortoerental dalen.
Een zwaar uitgevoerde dynamo kan wat minder snel afremmen. Dit toerental zakt
langzamer dan het motortoerental.
Het gevolg hier van is, dat de multiriem door midden gesneden wordt, want de
multiriem moet dan de dynamo afremmen.
Met een vrijlooppoelie zal de dynamo wel mee bewegen bij het accelereren, maar
wel met zijn eigen toerental uitdraaien bij het decelereren.
Ventilator:
De dynamo wordt warm als
hij energie moet leveren. Om te voorkomen dat hij te warm wordt, moet hij
gekoeld worden. De ventilator zorgt voor de koeling.
Tegenwoordig zijn er ook dynamo's die aangesloten zitten op het koelsysteem van
de motor. De koelvloeistof zorgt hierbij voor de koeling.